Zes Koffers en een Kapotte Intercom
Eerder bij Renske, Wouter en Jip: drie studenten die deden alsof ze gewoon vrienden waren, wat alleen werkte omdat niemand toen genoeg geld had voor een fatsoenlijke therapieplek. Renske wilde Wouter, die gebouwen kon uitleggen alsof ze roddelden. Renske wilde Jip, die iedereen onderbrak met betere roddels. Wouter en Jip wilden vermoedelijk ook van alles, maar waren verstandig genoeg om niet midden in een werkgroep middeleeuwse letterkunde een liefdesdriehoek te beginnen.
Toen kwam een familiediner, een ruzie, Montréal en zeven jaar aan groepschatberichten waar Renske op reageerde met stickers van croissants. Nu was ze terug, voor één middag, zes koffers en haar vaders vierde etage aan de Wibautstraat. Elegant was anders.
Renske bereikte de bovenste overloop met een koffer die tegen iedere trede protesteerde. Het trappenhuis rook naar nat pleisterwerk, oude frituurvetten en de koppige overtuiging dat een lik verf alle structurele problemen kon oplossen.
Dorus deed open met een rol tape om zijn pols.
“Je bent laat.”
“Het is kwart voor vier. Jouw renovatieploeg komt om vijf en mijn vlucht vertrekt om zeven. Volgens ieder redelijk mens ben ik een mirakel.”
“Volgens ieder redelijk mens neem je niet een vlucht om zeven uur als je om vijf uur nog een woning moet leegruimen.”
“Volgens ieder redelijk mens verhuis jij vóór je achtzestigste.”
“Ik ben achtenzestig.”
“Dan was je dus tien jaar geleden al te laat.”
Hij stapte opzij. “Fijn dat je er bent, kind.”
Dat ene woord deed altijd irritant veel. Alsof hij haar nog steeds kon oproepen met een blik op zijn horloge, alsof Montréal een lange omweg naar de Albert Heijn was geweest.
In de woonkamer stonden zes koffers, een scheve lamp, drie dozen met daarop KEUKEN geschreven en een ficus die Dorus volgens haar moeder nooit water had gegeven. Haar moeder was al jaren dood en de ficus stond er nog steeds. Sommige wezens waren gewoon koppig.
“Allemaal nodig?” vroeg ze.
“De koffers of de lamp?”
“Jij.”
Dorus trok een mondhoek op. “Je hoeft hier niet je hele leven voor te corrigeren, Rens.”
“Gelukkig maar. Ik heb alleen handbagage.”
Metaal schraapte over de trap. Wouter verscheen op de overloop met een steekwagen, een versleten jas en precies dezelfde kalme manier van kijken die haar vroeger al uit haar ritme schopte. Zijn haar was korter dan op de laatste foto in de groepschat. Zijn gezicht niet minder bekend. Irritant, werkelijk irritant.
“Jullie trap,” zei hij, “is een formeel bezwaar tegen verticale architectuur.”
“Jij tekent gebouwen,” zei Renske. “Arresteer jezelf.”
“Bouwkundig tekenaar. Een architect zou hier een glazen atrium van maken en daar een subsidie voor krijgen.”
Dorus pakte zijn arm vast alsof Wouter familie was, wat Renske oprecht verdacht vond. “Hij bood hulp aan.”
“Dat deed ik,” zei Wouter. “Omdat ik niet wilde dat jij een koelkast via een raam naar beneden zou laten takelen.”
“Dat was één keer.”
“Het was een magnetron.”
“Een magnetron is een kleine koelkast met ambities.”
Jip kwam achter hem aan, met een papieren tas onder één arm en een thermoskan die eruitzag alsof die een oorlog had overleefd. Hun zilveren haar stond alle kanten op. Perfect. Natuurlijk kwamen ze binnen alsof dit hun eigen woning was.
“Ik heb broodjes, koffie en een mening,” zei Jip. “Die mening is dat jullie alle drie een chronische aandoening hebben die planning heet.”
“Hallo, Jip,” zei Renske.
“Hallo, verdwijntruc.”
Dat landde raak. Jip zag het ook landen en liet het daar precies lang genoeg liggen om gemeen te zijn.
Van beneden klonk een droog gekraak. Dorus drukte op de knop van de intercom. Nog eens. Niets.
Wouter boog naar het kastje. “Die is echt dood.”
“Hij was vanmiddag nog halfdood,” zei Dorus.
“Dat is bij apparaten geen geruststelling,” zei Jip.
Naast de voordeur hing een briefje van de huismeester: INTERCOM DEFECT. MONTEUR ONDERWEG. De magnetische sluiting van de straatdeur was tegelijk vastgelopen. De achteruitgang zat dicht vanwege de renovatie. Amsterdam had blijkbaar besloten dat ontsnappen een premiumfunctie was.
Renske keek naar haar telefoon. 15.53 uur.
De maan stond al bleek achter het trapraam, een bemoeial in een grauwe hemel.
Wouter klapte de steekwagen uit. Jip zette de koffie op een doos met BADKAMER. Dorus pakte een koffer.
“Nou,” zei hij. “Dan blijven we voorlopig maar waar we zijn.”
Renske keek naar haar oude vrienden, haar vader, de koffers en de kapotte intercom.
Vroeger had ze voor minder een heel continent tussen zichzelf en iedereen gezet.
Wouter gaf de steekwagen een schopje tegen het wiel, dat prompt vastliep op de drempel.
“Dit gebouw heeft principes,” zei hij.
“Het gebouw heeft schimmel en een huurcontract uit de hel,” zei Jip, terwijl ze een broodje tussen hun tanden klemden en een stapel boeken in een doos schoven. “Principes zijn voor mensen die hun borg terugkrijgen.”
Dorus trok een lade uit de buffetkast. Bestek rammelde alsof het ook wilde klagen. “Rens, jij moet straks gewoon naar Schiphol. Wij redden de rest wel.”
Renske stond met een bundel theedoeken in haar armen. “Ik kan minstens helpen tot de monteur komt.”
“De monteur is niet je verantwoordelijkheid.”
“Jouw verhuizing wel.”
Dorus keek haar aan, kort en scherp. “Nee. Mijn verhuizing is mijn verhuizing. Jij bent mijn dochter, geen boetedoening met een rol tape.”
Dat maakte het erger, natuurlijk. Als hij boos was geweest, had ze een klus gehad. Een taak. Iets met duidelijke randen. Nu stond ze daar met theedoeken en een vader die haar probeerde los te laten terwijl zij niet wist hoe dat werkte zonder ergens tegenaan te schoppen.
“Ik ga niet weg omdat jij me wegstuurt,” zei ze.
“Ik stuur je naar een vliegtuig waar je zelf een ticket voor hebt gekocht.”
“Dat klinkt verdacht als wegsturen met extra stappen.”
Jip sloot een doos af met een felle ruk tape. “Goed nieuws: we zijn pas twaalf minuten bezig en iedereen is alweer emotioneel incompetent. Persoonlijk record.”
Wouter zei niets. Hij tilde een doos LP’s op alsof hij daarmee voorkwam dat hij iets veel lastigers moest vasthouden. Renske zag zijn kaak bewegen. Dat irritante, beheerste ding van hem. Alsof hij woorden eerst langs een bouwkundige keuring stuurde.
Dorus verdween naar de slaapkamer. “De kast daar moet leeg.”
“Hij bedoelt: praat niet met me, maar pak mijn sokken in,” zei Renske.
“Familietaal is een dialect,” zei Jip. “Slechte grammatica, veel passief-agressieve bijwoorden.”
In de slaapkamer stond de oude ladekast nog op dezelfde plek. Renske had hier ooit posters gehad, een matras op de grond en een periode waarin ze ervan overtuigd was dat een neonroze jas haar persoonlijkheid zou redden. Spoiler: dat deed die jas niet. Wel verdween hij drie weken later onder mysterieuze omstandigheden bij een huisfeest in Oost.
Ze trok de onderste la open. Onder een berg kabels, vergeelde bonnetjes en een los fietslampje lag een platte kartonnen doos.
STUDIE, stond erop, in haar eigen handschrift.
“Nee,” zei ze meteen.
Jip keek op. “O, absoluut wel.”
“Daar zit niks in.”
“Dat is zelden hoe dozen werken.”
Wouter zette de LP’s neer. “Misschien gewoon dichtlaten als Renske dat wil.”
Renske keek hem aan. Daar was hij weer: de veilige versie. De aardige versie. De versie die altijd een uitgang vrijhield, ook wanneer niemand daarom vroeg.
Jip trok de doos al naar zich toe. “Te laat. Democratie is een mythe.”
Bovenop lagen foto’s. Drieëntwintigjarige gezichten, bierflesjes, te veel eyeliner, een dakterras waarop Amsterdam er nog goedkoop genoeg uitzag om ironisch te zijn. Op één foto zat Renske tussen Wouter en Jip op een bankje bij de universiteit. Haar knie lag tegen Wouters been. Jips hand zat om haar pols gekruld, alsof die daar per ongeluk was beland en vervolgens zeven minuten was vergeten weg te gaan.
Renske kende die foto. Ze haatte die foto.
Niet omdat ze er slecht op stond. Helaas stond ze er fantastisch op: brutale kin omhoog, mond open midden in een lach, volkomen overtuigd dat verlangen alleen gevaarlijk werd als je het een naam gaf.
Jip viste een cassette uit de doos. Op het etiket stond: NACHTBUS 2018 – NIET AFSPELEN.
“Dat is juridisch bindend,” zei Renske.
“Jouw handschrift heeft de betrouwbaarheid van een natte servet,” zei Jip.
“Jip.”
Maar Jip had de oude cassetterecorder al gezien op de plank. Dorus gebruikte dat ding kennelijk nog. Natuurlijk gebruikte Dorus dat ding nog. Hij had ooit drie jaar geweigerd een smartphone te kopen omdat zijn klaptelefoon “nog prima berichtjes kon ontvangen”.
De cassette klikte erin. Eerst kwam ruis. Toen gelach, jonger en luidruchtiger. Wouters stem, verrassend hoog van vermoeidheid: “Als deze opname ooit openbaar wordt, verander ik mijn naam.”
“Te laat,” klonk Jip daarna. “Ik heb je al aangekondigd als Woutie.”
Renskes eigen stem volgde, dronken maar helder genoeg. “Ik vind jullie allebei heel erg leuk, alleen niet op een manier waar mijn vader een formulier voor heeft.”
Dorus stond in de deuropening.
De recorder ratelde door.
“Mijn vader,” zei de jongere Renske op de band, “denkt dat je moet kiezen. Alsof mensen een aanbieding bij de Jumbo zijn.”
Jip drukte op stop.
Niemand redde het met een grap. Zelfs Jip niet, wat bijna medische aandacht verdiende.