Zes Koffers en een Kapotte Intercom

Non-EnglishComplete

Dorus keek naar de cassette. “Dat diner.”

“Ja,” zei Renske.

Hij ging op de rand van het bed zitten. “Ik was een eikel.”

“Je was vooral heel trots op je mening, waar iedereen een gratis exemplaar van kreeg.”

“Ik dacht dat Montréal weer zo’n plan was. Een groot gebaar omdat je boos was.”

“Het was ook een plan omdat ik boos was.”

“Maar niet alleen daarom.”

“Nee.” Ze zette de theedoeken op de grond. “Ik ging omdat ik daar werk kon krijgen. En omdat jij aan tafel deed alsof ik iemand moest uitkiezen om normaal te mogen zijn. En omdat ik wist dat als ik bleef, ik jullie allebei zou blijven aankijken alsof ik iets kapot kon maken door eerlijk te zijn.”

Wouter zette zijn handen op de rugleuning van de oude bureaustoel. “Renske.”

Ze draaide zich naar hem om.

“Ik was toen stil omdat ik dacht dat het behulpzaam was.” Zijn toon bleef rustig, maar er zat geen vluchtroute meer in. “Ik dacht: geef haar ruimte, maak niks ingewikkelder, wees de vriend die geen eisen stelt.”

Jip sloeg hun armen over elkaar. “Dat was heel nobel. Ook totaal irritant.”

“Dank je.”

“Graag gedaan.”

Wouter keek weer naar Renske. “Maar ik ben klaar met doen alsof stilte hetzelfde is als respect. Als jij naar Montréal wilt, ga je. Als je geen zin hebt in ons, zeg je dat. Alleen: maak er geen logistiek probleem van. Niet weer.”

Renske opende haar mond. Een smoes meldde zich al bij de deur, met een paspoort en een one-way-ticket.

Jip wees naar haar. “Kijk. Daar gaat ze. Die kleine rampzalige gezichtsuitdrukking betekent dat ze ‘ik heb een vlucht’ wil zeggen alsof vliegtuigen gevoelens uitwissen.”

De kapotte intercom bleef stil beneden.

Buiten schoof de maan verder langs het trapraam, onbeschaamd nieuwsgierig.

“Mijn vlucht vertrekt om zeven,” zei Renske uiteindelijk.

Wouter knikte eenmaal. “Dat weet ik.”

“En?”

“En ik ben niet meer van plan te doen alsof dat het enige is wat er bestaat.”

Dorus keek van Wouter naar Renske. “Goed,” zei hij. “Dan gaan we nu eerst verhuizen, vóór dit gesprek een eigen postcode aanvraagt.”

Een kwartier later gaf de straatdeur beneden zich eindelijk over aan een monteur met een schroevendraaier en het humeur van iemand die al sinds negen uur ruzie had met precies ditzelfde slot. De eerste rit van de opslagdienst nam Dorus’ bed, zijn fauteuil en twee dozen vol servies mee. De zes koffers bleven in keurige, dreigende rij op de gang staan voor de tweede ronde.

“Niet aan mijn bier beginnen,” zei Dorus tegen Jip terwijl hij zijn jas aantrok.

“Dat is geen verzoek, dat is een uitdaging,” zei Jip.

Dorus keek Renske aan. Haar telefoon zei 17.21 uur. De vlucht naar Montréal kroop nu als een trein zonder vertraging door haar hoofd. Heel ongezellig van tijd, altijd.

“Bel als je ingecheckt bent,” zei hij.

“Als ik ingecheckt ben.”

“Precies.” Hij pakte zijn kleine weekendtas. “En als je dat niet bent, bel je ook. Ik ga niet doen alsof jij nog twaalf bent omdat jij panisch kunt organiseren.”

“Dat kan ik helemaal niet.”

“Je hebt een internationale verhuizing geregeld uit woede.”

“Dat heet visie.”

“Dat heet een erg duur abonnement op weggaan.”

Hij liet haar daar niet op antwoorden. Gelukkig maar. Daarna verdween hij de trap af, pratend tegen de verhuizer over een kapotte kraan in zijn nieuwe woning alsof kranen een volkomen normaal onderwerp waren en dochters geen ingewikkelde stormgebieden.

Renske bleef bij het trapraam staan. De maan plakte bleek tegen het glas, schaamteloos nieuwsgierig, alsof die voor de VvE werkte en klachten verzamelde.

Jip vond drie flesjes pils achter een pot augurken. Ze schonken ze in plastic bekers met kleine paarse bloemen erop. Dorus had die dingen waarschijnlijk sinds 1998 bewaard voor een feestje dat nooit voldoende aanleiding had gehad.

“Ik ging niet alleen weg vanwege dat diner,” zei Renske.

Wouter zette zijn beker op een koffer. Jip ging op de vensterbank zitten, één knie opgetrokken.

“Dat dacht ik al,” zei Jip. “Niemand verhuist naar Montréal uitsluitend omdat een vader vervelend doet. Daarvoor heeft Amsterdam te veel tramhaltes.”

Renske keek naar haar handen. “Het contract was echt. Het werk ook. Ik wilde ondertitels maken en ergens wonen waar mensen klagen over sneeuw alsof het een persoonlijk verraad is. Maar ik ging ook omdat ik bang was.”

“Waarvoor?” vroeg Wouter.

“Dat jullie nee zouden zeggen.” Ze lachte zonder veel plezier. “Of erger: ja, omdat ik net ruzie had gehad met mijn vader en eruitzag alsof ik op straat zou gaan wonen als iemand me niet meteen vastpakte.”

Jip trok een wenkbrauw op.

“I wilde jullie allebei,” ging Renske verder. “En ik wist niet hoe ik dat moest zeggen zonder jullie vriendschap te behandelen als iets waar ik met modderlaarzen doorheen mocht stampen. Mijn vader deed alsof ik moest kiezen om normaal te zijn. Ik besloot toen dat iedereen vast iets van me wilde kiezen, en ik wilde dat vóór zijn.”

“Dus pakte je een continent,” zei Jip.

“Met handbagage,” zei Renske.

Wouter dronk een slok bier. Het was lauw. Alles aan deze avond had een beetje te lang in een doos gezeten.

“Voor de administratie,” zei Jip, “wij waren geen reservebank.”

Renske keek op.

“Wouter en ik hebben zeven jaar lang een leven gehad,” zei Jip. “Werk, dates, slechte etentjes, ruzie over podcasts. Wij zaten niet op een bankje te wachten tot jij het veld op kwam rennen met een Canadees paspoort.”

Wouter wreef met zijn duim langs de rand van zijn beker. “Jip is mijn vriend. Los van jou. Niet als voorbereiding op jou.”

“En jij bent geen prijs,” zei Jip. “Dat klinkt misschien alsof ik een motivational poster ben geworden, maar ik meen het. We willen niet dat jij hier blijft omdat je denkt dat je iets moet repareren.”

Renske voelde haar mond scheeftrekken. “Dat is vervelend redelijk.”

“Ik heb een opleiding gevolgd,” zei Jip. “Niet afgemaakt, maar toch.”

Wouter keek haar aan. “Ik wil jou wel, Rens. Dat wist ik toen al. Ik wil niet meer doen alsof ik alleen maar behulpzaam ben omdat dat veilig voelt. Maar ik wil ook niet dat jij vanavond ja zegt en morgenochtend denkt dat wij je vlucht hebben gestolen.”

“Niemand steelt hier iemands vlucht,” zei Jip. “Ook niet figuurlijk. Vooral niet figuurlijk, want dan krijgen we weer een gesprek over metaforen.”

“Wat willen jullie dan?” vroeg Renske.

Jip stak één vinger op. “Eerlijkheid. Niet de nette versie met voetnoten.”

Wouter stak een tweede op. “Dat ieder van ons zelf beslist. Geen toestemming namens iemand anders.”

“En,” zei Jip, “als iemand stopt, stopt iedereen. Geen gedoe, geen beledigde gezichten, geen toneelstukjes.”

Renske keek naar de trap, naar de koffers, naar haar telefoon op de vensterbank. Ze kon nu een taxi bellen. Ze kon naar Schiphol gaan, een te duur broodje kopen en doen alsof deze middag alleen over tape en servies was gegaan.

“Wat ik niet wil,” zei ze langzaam, “is een verhaal waarin ik morgen weer naar Montréal vlieg en jullie doen alsof dit niet gebeurd is. Ik wil ook geen relatie vastspijkeren in drie kwartier omdat ik bang ben voor een vertrekhal.”

“Dat willen wij ook niet,” zei Wouter.

“Groot gelijk,” zei Jip. “Relaties vastspijkeren is bouwkundig onverantwoord.”

Renske keek weer naar Wouter. “En als ik de taxi neem?”

“Dan neem je de taxi,” zei hij. “We houden je niet tegen.”

“En als ik blijf?”

Jip keek naar de open deur van Renskes oude slaapkamer. “Dan blijf je omdat je dat wilt. Niet omdat de intercom defect was, niet omdat je vader verhuisde en niet omdat de maan zich ermee bemoeit.”

De maan deed alsof ze niets gehoord had. Slecht toneelspel.

Renske pakte haar telefoon op, maar opende geen taxi-app.

“Ik wil nog niet gaan,” zei ze. “Ik wil met jullie naar boven. En ik wil dat we blijven zeggen wat we bedoelen.”

Wouter knikte.

“Dat,” zei Jip, “is eindelijk eens een bruikbaar plan.”

Renske liep voor hen uit naar de slaapkamer. Er stond nog een bed, een kast zonder deuren en een stoel met haar vaders oude regenjas eroverheen. Op de muur tekenden lichtere rechthoeken waar ooit posters hadden gehangen. De kamer zag eruit alsof haar twintigjarige zelf er midden in een paniekvlucht was vertrokken en de kamer daar nog steeds bezwaar tegen maakte.

Jip sloot de deur niet meteen.

“Eén ding,” zeiden ze. “Als iemand alsnog naar beneden wil, gebeurt dat. Ook als het onhandig is. Ook als we al halverwege een trui zijn.”

“Halverwege een trui is altijd een kwetsbare fase,” zei Renske.

Wouter snoof een lachje. “Ik meen het ook.”

“Ik weet het.” Ze keek eerst naar Jip, toen naar hem. “Ik wil niet naar beneden. Ik wil jullie hier. Maar als ik iets anders wil, zeg ik het. En jullie ook.”

“Geen raden,” zei Jip.

“Geen heldhaftig stilhouden,” zei Wouter.

“Bah, heldhaftigheid.” Renske schopte haar schoenen uit. “Dat is gewoon slechte communicatie met een cape.”

Jip deed de deur dicht. Niet met een groot gebaar, gelukkig. Gewoon een klik, alsof ze besloten hadden dat de gang voorlopig genoeg drama had gezien.