Zes Koffers en een Kapotte Intercom

Non-EnglishComplete

Wouter kwam niet dichterbij voordat hij vroeg: “Mag ik je zoenen?”

De vraag maakte iets in haar los dat veel ouder was dan deze kamer. Niet omdat hij haar toestemming nodig had om haar mond te kennen. Omdat hij haar de ruimte gaf om geen versie van zichzelf te spelen.

“Ja,” zei ze. “En Jip ook.”

“Efficiënt,” zei Jip. “Ik waardeer het.”

Renske pakte Jip bij de kraag van hun overhemd en trok hen naar zich toe. Hun mond vond de hare met een korte, vrolijke botsing die meteen veranderde in iets zachters. Jip hield een hand bij haar middel, wachtte, liet haar bepalen hoe dichtbij. Renske duwde zich tegen hen aan, omdat ze daar zin in had, omdat ze zeven jaar lang genoeg redenen had verzameld om nergens zin in te hebben.

Toen draaide ze zich naar Wouter.

Hij keek alsof hij nog steeds dacht dat een verkeerde beweging een draagmuur kon laten scheuren.

“Niet bouwen,” zei ze. “Kom hier.”

Hij lachte, schudde zijn hoofd en kuste haar. Wouter kuste anders dan Jip: bedachtzamer, alsof hij haar antwoord al kende maar toch nog een keer wilde horen. Renske legde haar hand tegen zijn nek en trok hem dichterbij. Jip bleef naast hen staan, niet buitengesloten, niet decoratief. Renske stak haar vrije hand naar hen uit.

“Jij ook.”

“Zie je wel,” zei Jip tegen Wouter. “Inclusief ontwerp.”

Met drie mensen werd zelfs uitkleden een klein logistiek project. Jip bleef met één mouw van hun overhemd vastzitten en verklaarde de knoop publiekelijk tot vijand van de mensheid. Wouter hielp hen eruit, terwijl Renske op het bed ging zitten en haar trui over haar hoofd trok.

“Mag ik?” vroeg Jip, met hun hand bij haar broekrand.

“Ja.”

“En jij?” vroeg Wouter.

“Ook ja. Maar langzaam.”

“Langzaam,” herhaalde hij.

Ze hielp hem uit zijn overhemd, knoop voor knoop, expres traag genoeg om hem gek te maken. Dat lukte uitstekend. Wouter keek weg, lachte in zichzelf en werd rood tot boven zijn oren.

“Je bent zesendertig,” zei Renske.

“Dat maakt het alleen grondiger vernederend.”

“Je vindt dit leuk,” zei Jip.

“Dat heb ik niet gezegd.”

“Je hoeft niet alles te zeggen,” zei Renske. “Maar dit keer mag het wel.”

Wouter keek haar weer aan. “Ik vind dit heel leuk.”

“Goed.” Ze kuste hem opnieuw.

Het bed kraakte toen Jip naast haar kwam liggen. Hun lach verdween tegen Renskes schouder toen het matras opnieuw protesteerde. Buiten reed een tram langs, ergens veel te gewoon voor wat er binnen gebeurde. De maan stond nog steeds bij het raam alsof die een slechtbetaalde huisbaas was die op inspectie kwam.

Jip legde hun mond tegen haar hals en wachtte opnieuw. Renske antwoordde door hun dichterbij te trekken. Wouter zat aan haar andere kant, zijn hand rustig tegen haar zij, aandachtig zonder voorzichtig te worden als een museumbezoeker.

“Groen?” vroeg hij.

“Groen.”

“Jij?” vroeg Jip aan hem.

“Groen.”

“Mooi,” zei Jip. “Dan gaan we door met het meest volwassen plan dat iemand ooit op een oud bed heeft uitgevoerd.”

Renske lachte, maar het geluid brak af toen Jip haar opnieuw kuste en Wouter zijn mond tegen haar sleutelbeen legde. Ze voelde zich niet ingesloten. Ze voelde zich gekozen, en nog belangrijker: vrij om zelf te kiezen waar haar handen heen gingen, wie ze naar zich toetrok, wanneer ze iemand liet wachten.

Ze trok Jip omhoog en kuste hen. Daarna trok ze Wouter tussen hen in.

“Niet alleen naar mij kijken,” zei ze.

Wouter knipperde. “Dat deed ik niet.”

“Je deed het een beetje.”

“Hij deed het heel erg,” zei Jip.

“Oké, misschien.”

“Doe normaal,” zei Renske. “Jullie kennen elkaar langer dan jullie allebei willen toegeven.”

Jip pakte Wouter bij zijn kaak en kuste hem. Niet voor haar, niet als bewijsstuk, niet als een kunstje waar iemand applaus voor moest geven. Gewoon omdat ze dat wilden. Wouter legde een hand tegen Jips middel. Renske keek toe en voelde een warme, dwarse tevredenheid. Dit was geen fantasie waarin iedereen precies op haar wachtte. Dit was rommeliger. Beter ook.

“Mag ik je aanraken?” vroeg ze aan Wouter.

Hij sloot kort zijn ogen. “Ja.”

“Waar?”

Hij lachte zacht. “Eerlijk antwoord?”

“Dat is het hele irritante thema van de avond.”

“Overal waar jij wilt, zolang je blijft vragen.”

“Deal.”

Ze deden niets in stilte. Niet omdat praten alles minder spannend maakte, maar omdat het juist ruimte gaf. Daar. Nog even. Niet zo. Ja, precies. Wacht. Kom terug. Jip maakte grappen wanneer de sfeer te plechtig dreigde te worden, Wouter lachte steeds sneller mee, en Renske hoorde zichzelf dingen zeggen die ze vroeger zou hebben ingeslikt tot ze er buikpijn van kreeg.

“Harder,” zei ze op een moment.

Jip keek meteen op. “Dat kan. Zeker weten?”

“Zeker weten.”

“En als het verandert?”

“Dan zeg ik het.”

Wouter schoof dichterbij. “Ik luister.”

“Dat weet ik,” zei ze. “Dat is het probleem.”

“Wat?”

“Dat ik jullie altijd al vertrouwd heb. Ik dacht alleen dat vertrouwen hetzelfde was als risico.”

Jip kuste haar voorhoofd. “Nee, schat. Risico is een verhuizing plannen met een vader die een cassettecollectie bezit.”

Renske lachte zo hard dat ze bijna van het bed rolde.

Wouter ving haar op met een arm om haar middel. “Niet sterven. Dorus zou denken dat ik zijn borg kwijt ben.”

“Hij zou vooral vragen of je de fikus water hebt gegeven.”

“Die plant is sterker dan wij allemaal,” zei Jip.

De avond verloor daarna zijn nette volgorde. Renske lag een tijd tussen hen in, toen trok ze Jip boven zich, toen vroeg ze Wouter dichterbij. Zij bepaalde mee, veranderde van gedachte, gaf aanwijzingen en kreeg ze terug. Wanneer iemand even stopte, stopten de anderen ook. Wanneer iemand lachte, lachten ze mee. Er was geen perfecte choreografie, alleen drie volwassenen die eindelijk niet deden alsof verlangen een rampenplan nodig had.

Wouter merkte dat Renske hem bleef aankijken wanneer ze iets vroeg. Niet smekend. Niet vluchtig. Ze verwachtte een antwoord, en dat was nieuw genoeg om hem bijna stil te krijgen.

“Wat?” vroeg ze.

“Niks.”

“Wouter.”

Hij liet zijn hoofd tegen het hoofdeinde rusten. “Ik denk dat ik blij ben dat je niet gered wilt worden.”

Renske keek even naar Jip, toen naar hem. “Ik wil ook niet gered worden.”

“Dat weet ik.”

“Ik wil wel dat jullie blijven.”

Jip stak een hand op. “Op dit moment ben ik letterlijk half vast komen te zitten in een dekbed. Ik ga nergens heen.”

“Romantisch,” zei Wouter.

“Dank je.”

Later lagen ze met de dekens op plekken waar dekens weinig nut hadden. Jip zat op de grond naast het bed en dronk water uit een glas dat ooit bij Dorus’ servies had gehoord. Wouter had een fles gevonden in de keuken en drie glazen meegenomen alsof hydratie een bouwkundige verplichting was.

Renske nam een slok en trok een gezicht. “Waarom smaakt kraanwater hier alsof het een mening over mij heeft?”

“Oude leidingen,” zei Wouter.

“Alles is bij jou oude leidingen.”

“Dat is omdat alles oude leidingen hééft.”

Jip keek naar de stapel koffers. “Oké. Het lastige gesprek.”

Renske liet het glas zakken. “We hoeven niet meteen een gedeelde agenda met kleurcodes te maken.”

“Godzijdank,” zei Wouter.

“Maar we gaan ook niet doen alsof dit alleen een bijzonder actieve verhuisdag was,” zei Jip.

“Nee,” zei Renske.

Haar telefoon trilde onder haar jas op de stoel.

Ze keek niet meteen. Daarna wel.

Taxi: uw rit arriveert over twaalf minuten.

Renske hield het scherm in haar hand. Wouter zei niets. Jip ook niet.

“Dat,” zei Jip uiteindelijk, “is een irritant concreet bericht.”

Eerder bij…: Renske kwam naar de Wibautstraat voor zes koffers, een vader met te weinig vierkante meters en een vlucht die als een nare wekker bleef afgaan. Toen doken Wouter en Jip op, vond iemand een cassette terug en besloot de intercom dat romantiek blijkbaar uitsluitend via vier trappen mocht. Zeer professioneel allemaal.

“Ik ga,” zei Renske. “Maar niet omdat ik bang ben dat dit morgen ingewikkeld wordt. Montréal is mijn leven. Mijn werk, mijn huis, mijn vrienden, de bagels die groter zijn dan mijn hoofd. Dat zet ik niet bij het grofvuil omdat deze avond verrassend goed uitpakte.”

Jip zette hun lege glas op de vloer. “Prima. Ik heb een hekel aan romantische verdwijntrucs. En aan grofvuil.”

“Concrete versie?” vroeg Wouter.

Renske trok haar broek aan, die onder de stoel lag alsof hij zelf ontslag had genomen. “Jullie komen het weekend van veertien november. Jullie boeken zelf; ik betaal geen emotionele administratie. Ik kom met oud en nieuw drie nachten terug. Geen familiediner.”

“Ik kan die vrijdag vrijhouden,” zei Wouter.

“Ik ook,” zei Jip. “En we bellen?”

“Elke woensdag,” zei Renske. “Tenzij iemand zegt dat het die week niet lukt. Als een van ons een ander ziet, vertellen we dat zodra het relevant is. Geen exclusiviteit verzinnen omdat een taxi dramatisch doet. En als iemand hiermee wil stoppen, gebeurt dat met woorden. Niet met verdwijnen.”

“Dat kan ik,” zei Wouter.

“Mooi,” zei Jip. “Kijk ons eens volwassen zijn. Walgelijk.”

Beneden toeterde de taxi. De intercom deed nog steeds niets, natuurlijk niet. Dorus verscheen aan het eind van de gang met Renskes grootste koffer in zijn hand.

“Die is van mij,” zei Renske.

“Dat zie ik,” zei Dorus. “Mijn dochter hoeft nergens toestemming voor te vragen. Niet om te vertrekken, niet om terug te komen en al helemaal niet van mij.”

“Pap.”

“Vreselijk modern van me, ik weet het.”

Renske kuste Wouter, daarna Jip. Kort, vastberaden, zonder toespraak.

“Woensdag,” zei Wouter.

“Veertien november,” zei Jip.

“Geen grote woorden,” zei Renske.

“Daar hebben we podcasts voor,” zei Jip.

De maan keek nog één keer door het trapraam, schaamteloos als altijd. Renske volgde Dorus naar beneden en opende de straatdeur zelf.